We belichten de ontwikkelingen rondom houtbouw
door experts ‘in de houtgreep’ te nemen.
De mensen bij Stichting Probos zijn misschien wel de grootste vrienden van onze bossen. Al 60 jaar lang zetten zij zich in voor duurzaam beheer en uitbreiding van de bossen. Met Mark van Benthem op de bok vierden zij vorig jaar het 60-jarig bestaan. Een mooi moment om hem in de houtgreep te nemen en als sector de houtvoorzienende bossen nog beter te begrijpen.
Gefeliciteerd met het jubileum. Wat is het belangrijkste wapenfeit dat Probos in al die jaren heeft bijgedragen?
“Als ik een ding mag noemen dan denk ik toch aan het feit dat het ons gelukt is om de bos- en houtdata te blijven ontsluiten en daarmee ook een flinke geschiedenis hebben weten op te bouwen. We hebben een hele lange reeks van dataverzameling die ontzettend belangrijk is om uiteindelijk ook de ontwikkeling in het bos te kunnen lezen.
Als nationaal correspondent voor de Nederlandse overheid communiceren we sinds jaar en dag internationaal naar partijen als de Verenigde Naties (VN) en de Food and Agriculture Organization (FAO) over het Nederlandse bos en het houtgebruik. Naast al deze statistieken, beheren we ondertussen ook een database met ruim 70.000 plots in het Nederlandse bos dat jaarlijks wordt aangevuld. We zitten dus op een schat aan data.”
Van wie zijn ‘onze’ bossen eigenlijk?
“Het is in ongeveer in tweeën verdeeld: de helft is van overheden, waarvan ongeveer de helft van Staatsbosbeheer en de andere helft is van particuliere eigenaren, inclusief circa 20% van natuurbeschermingsorganisaties en zo’n 30% particulieren, bestaande uit landgoederen met grote bossen en duizenden snipperbossen die in privébezit zijn.”
Probos heeft in dit jubileumjaar aan heel Nederland een cadeautje gegeven in de vorm van de ‘Bosbarometer’. Wat is het doel ervan?
“Kennisdelen’ is een belangrijk speerpunt van Probos. Een ambitie die ook de aanjager is voor het ontwikkelen van dit digitale platform waar álle data die van belang is voor het Nederlandse bos wordt samengebracht. De Bosbarometer toont niet alleen traditionele bosindicatoren zoals bosareaal, voorraad, bijgroei, dood hout, verjonging, vitaliteit, menging en leeftijd, maar ook gegevens over soortgroepen als zoogdieren, vogels, insecten, flora en paddenstoelen. Hierdoor wordt biodiversiteit afhankelijk van het bos, voor het eerst in de volle breedte inzichtelijk gemaakt en kunnen relaties gelegd worden.
Daarnaast zijn data over recreatie, koolstofopslag en houtproductie opgenomen, zodat de maatschappelijke en ecologische waarden van het bos helder in beeld komen. Als Probos vinden we het heel belangrijk dat het publieke debat en het maken van beleid op basis van goed onderbouwde data gebeurt. De Bosbarometer met haar overzichtelijke dashboard is daar een uitstekende uitwerking van.”
Deelden jullie deze kennis nog niet dan?
“Niet op deze wijze. Het vernieuwende aan deze opzet is dat we ook de indicatoren ten aanzien van de diensten hebben toegevoegd. Naast de data die wijzelf hebben over het bos, hout, recreatie, et cetera, is er ook data over koolstof en biodiversiteit aan toegevoegd. Daardoor kun je ook zien hoe het met de ontwikkeling van bijvoorbeeld vogels en paddenstoelen gaat in relatie tot de andere indicatoren van het bos.
En we doen dat met de Bosbarometer op een laagdrempelig manier, zodat ook de groen geïnteresseerde Nederlander het nog begrijpt. Maar onze belangrijkste doelgroep blijft de beleidsmakers die bij de provinciale overheden, het rijk en de terreinbeherende organisaties werken. Wij proberen ons werk bij hun te krijgen en via die weg dat het doorvloeit naar de bospraktijk.”
(tekst gaat verder onder kader)
Bosbarometer
De Bosbarometer is een tool dat zich vooral richt op beleidsmakers van de verschillende overheden en terreinbeheerders, bosbeheerders, onderzoekers, natuurbeschermingsorganisaties, de soortorganisaties en de ‘groen geïnteresseerde Nederlander’. Hiermee positioneert de Bosbarometer zich tussen wetenschap en praktijk en tussen beleid en de praktijk.

"De houtbouwketen verlangt een fijnspar van een constante dikte, maat en kwaliteit, maar dat gaat echt anders worden."
Zijn alle indicatoren in de Bosbarometer even belangrijk?
“Ja elke indicator is op zijn domein belangrijk. Neem een indicator als dood hout, die is heel waardevol voor biodiversiteit. Veel dood hout is dan gunstig te noemen. Tegelijkertijd is dood hout minder gunstig als je beseft dat dit ook komt doordat het bos onder druk staat en daardoor meer bomen sterven. Daarom hebben we ook gekozen voor een barometer die wegblijft van een stoplicht-model.”
Uit de Bosbarometer blijkt ook dat de bijgroei al twee decennia daalt. Waarom lukt het niet om die trend te keren?
“Minder bijgroei heeft een aantal oorzaken waar moeilijk vat op te krijgen is. Ten eerste groeit een ouder bos minder hard. Ten tweede hebben we te maken met de eerdergenoemde drukfactoren. Denk bijvoorbeeld aan klimaatverandering dat ons een aantal extreem droge én natte jaren heeft gebracht. Daar lijden bomen onder, die zijn dan echt aan het overleven. Dat zie je dan terug in de jaarringen en daarmee in de bijgroei.
Als je dan ook nog te maken krijgt met een massale eikensterfte of een essentaksterfte – die bijna 90% van alle essen in Nederland de das om heeft gedaan – dan snap je dat de bijgroei stagneert of zelfs daalt. En dan hebben we het nog niet eens over de gevolgen van stikstofuitstoot gehad.”
Wat moet er gebeuren om die bijgroei te verhogen? Kunnen we überhaupt iets doen?
“Wat ik altijd wel belangrijk vind – en dat heeft ook met die commotie rondom houtoogst te maken – is dat we het verschil maken tussen multifunctioneel bos en natuurbos. In de bossector wordt er al volop gewerkt aan het revitaliseren van het multifunctionele bos door bijvoorbeeld naar meer menging toe te werken. Daardoor wordt het bos minder kwetsbaar zodra er één soort onder druk komt te staan.
Revitaliseren betekent ook dat we proberen het bosklimaat te behouden. Meer kleinschalig oogsten zorgt ervoor dat de effecten van klimaatverandering minder impact hebben. Je kunt je voorstellen dat een extreme droogte een groter effect heeft op een kaalkap dan in een dichter en koel bos, waar hier en daar een boom uit wordt geoogst. Zo behoud je het bosklimaat en creëer je gunstige factoren voor verjonging.”
Door meer houtoogst, krijg je meer bijgroei in het bos? Dat klinkt onverenigbaar.
“Toch is het best logisch verklaarbaar. Vooral jonge bomen die tussen de grote jongens staan, hebben licht nodig om te groeien. Die groeiruimte ontstaat als we verantwoord binnen de kaders van duurzaam bosbeheer de oudere bomen oogsten. We moeten dus blijven inzien dat houtoogst een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling van bossen, waarbij ik er wel voor wil pleiten ook ruimte te laten voor veteranenbomen in het bos.”
Hoe kan Probos hieraan bijdragen?
“Om te beginnen door ons altijd hard te maken voor houtgebruik onder de randvoorwaarden van duurzaam bosbeheer. We doen daarnaast veel aan kennisverspreiding. Zo proberen we onder andere wat er in Den Haag bedacht wordt naar de praktijk te brengen met de Bossenstrategie en helpen we provincies invulling te geven aan hun strategieën.
Aan de andere kant proberen we de sector klaar te stomen om meer open te staan voor andere soorten en maten die de business case voor duurzaam bosbeheer kunnen verbeteren. Dat deden we al voor de minder bekende houtsoorten uit de tropen, maar nu lopen we met die nieuwe mengsoorten in het Europese bos tegen hetzelfde issue aan.”
En daarmee doel je vooral op de tanende fijnsparpopulatie die op dit moment het meest gebruikte hout levert voor houtbouw?
“Ja. De houtbouwketen verlangt een fijnspar van een constante dikte, maat en kwaliteit, maar dat gaat echt anders worden. Daar ligt een uitdaging voor de bos én houtsector. Ik hoop dan ook dat iedereen gaat begrijpen dat we vooral moeten kijken naar wat de bossen ons te leveren hebben en dan vervolgens bepalen wat we daarmee kunnen doen. In plaats van de vraag als uitgangspunt te nemen en daar onze bossen op aan te passen.”
(tekst gaat verder onder kader)
De bosstand in Nederland
“Als we het hebben over het Nederlandse bos dan zien we een gemengd beeld. Ten opzichte van andere ecosystemen is het bos wel een positieve uitzondering. Het bos wordt ouder, de bomen worden dikker, er is meer dood hout. Dus vanuit die optiek gaat er veel goed.
Tegelijkertijd is het aantal drukfactoren wel problematisch. Bossen op rijke gronden gaan best goed, maar de staat van bossen op de armere gronden wordt vooral gedomineerd door de stikstofuitstoot die met name qua mineralen een disbalans veroorzaken. Dat is wel echt problematisch. En het wordt jaarlijks slechter. Het probleem met stikstof is dat het cumuleert. Waar de landbouwsector terecht zegt dat de stikstofuitstoot naar beneden gaat, wil dat niet zeggen dat het probleem kleiner wordt. Stikstof verdwijnt nu eenmaal niet makkelijk uit het systeem, dus ook al komt er minder bij dan zal dat een vergroting zijn van het probleem. We moeten er alles aan doen om de stikstofuitstoot op alle fronten zo spoedig mogelijk aan te pakken.”
(© Foto: Mark van Benthem/Probos)

Op welke alternatieve houtsoorten moeten houtbouwers gaan voorsorteren?
“Ik ben geen houtexpert, maar we kijken bijvoorbeeld in samenwerking met Larenstein wel naar welke rol de andere soorten – die we meer zullen gaan zien in het bos – kunnen pakken. Zoals de populier en de esdoorn. We kijken ook of we met nieuwe bossen meer richting snelgroeiende bossen kunnen gaan, al is het maar voor die eerste generatie. Populier bijvoorbeeld, zorgt snel voor een bosklimaat en dikke bomen. Die kun je dan ook oogsten op het moment dat de volgende generatie klaarstaat.”
Hoe kijk je naar agroforestry als productiesysteem?
“Als we naar meer natuurinclusieve landbouw gaan waarin bomen een rol spelen, dan vind ik dat een mooie ontwikkeling. Wij zijn ook veel met provincies en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan het praten over hoe we uiteindelijk meer bomen en nieuw bos kunnen realiseren. Het grote probleem is echter dat grond in Nederland nog maar 1/10 van zijn waarde behoudt zodra je het aanwendt voor bosuitbreiding. Dat geldt niet voor agroforestry. De grond blijft dan landbouwgrond en daar liggen dus kansen. Er is best wel animo voor bosuitbreiding, maar iemand moet die afwaardering van de grond voor z’n rekening nemen, want als grond eenmaal de bestemming bos heeft, kan het niet meer landbouwgrond worden.”
Hoe verhoudt een bossenman zoals jij zich tot houtbouw?
“Vooropgesteld: ik vind houtbouw echt geweldig. Ik vind het dan ook mooi om te zien hoe het nu op de kaart wordt gezet en dat het aantal houtbouwwoningen exponentieel doorgroeit. Ik hoop alleen wel dat we meer een shift gaan maken van ‘de iconische gebouwen competitie’ naar meer gewoon straatjes en wijken bouwen, meters maken, en dat dan heel goed doen.
Veel van wat wij nu doen in het Nederlandse bos wordt gedaan onder het Klimaatakkoord. Daarop hebben veel sectoren hun doelstellingen qua CO₂-reductie gebaseerd, ook de bos- en natuursector. Dat betekent dat veel van onze revitaliseringsinitiatieven en al die praktijkexperimenten die wij doen, gefinancierd worden vanuit het Klimaatakkoord. Uiteindelijk moet dat dus ook bijdragen aan CO₂-winst. Maar met een nieuw bos duurt het lang voordat sprake is van serieuze CO₂-winst. Als ‘bossenman’ vind ik natuurlijk dat we daar ook op in moeten zetten, maar om de CO₂-uitstoot vlot terug te dringen is het belangrijk hout hoogwaardiger in te zetten in de keten. Dan houd je de CO₂ langer vast en als je dan ook nog eens een meer energie-intensief materiaal substitueert (vervangt), dan pak je fors klimaatwinst. Gelukkig merk ik dat beleidsmensen ook echt aanslaan op deze boodschap van substitutie.”
Wat zou de houtbouwsector beter moeten begrijpen over bosbeheer?
“Zoals gezegd vind ik het hoogtijd worden dat men de benadering van houtvoorziening gaat omdraaien, door eerst te kijken wat het bos kan leveren in plaats van het bos op te leggen wat het zou moeten leveren.
Die houtvoorziening vanuit het bos gaat echt veranderen, dus het zou heel verstandig zijn als de houtsector ook gaat experimenteren met andere houtsoorten. Je moet je afvragen of je voor CLT overal de hoogste kwaliteit vuren nodig hebt, of dat je ook op bepaalde onderdelen met bijvoorbeeld populier, esdoorn of beuk kunt werken. Ik zie in de markt gelukkig al wel die beweging ontstaan. Zo is TNO serieus circulair CLT aan het onderzoeken.”
Kunnen de Europese bossen de houtbouwambitie wel dragen, denk je?
“Als jij het zo smal stelt, dan is het antwoord: ja. Er is best veel potentie in het Europese bos wat nog onbenut is. Het is wel voor een deel een uitdaging om al die passieve boseigenaren, waar een groot deel van het onbenutte potentieel zit, te mobiliseren. Maar het echte probleem is dat niet alleen de bouwsector een beroep doet op het bos, maar ook andere industrieën. Zelfs de kledingindustrie heeft het bos ontdekt voor de vezels.
Al die sectoren willen naar een circulaire biobased economie toe en het is natuurlijk geweldig dat een boom, met al haar vezels en inhoudsstoffen, bijna alle plastics kunnen vervangen, maar dat succes kan ook tegen de bossen gaan werken. En dan heb je ook nog de subsidies voor biomassa. Nu ben ik ook wel zo realistisch om in te zien dat er altijd sortimenten zijn die redelijkerwijs nergens anders naartoe kunnen, maar door het te subsidiëren ben je wel marktverstorend bezig en concurreer je bijvoorbeeld gewoon met hout wat ook naar de palletindustrie kan.”
"Wat vaak gebeurt is dat inkopers hout kopen bij verkopers met een FSC- of PEFC- keurmerk en automatisch denken dat het goed zit."
Duurzaam bosbeheer wordt onder andere geborgd door certificeringssystemen. Wat is volgens jou de grootste misvatting over duurzaamheidskeurmerken?
“Dat mensen denken dat ze met een duurzaamheidscertificaat aanvragen ook inzicht hebben in de hele keten en dan weten uit welk bos het hout komt. Dat is niet het geval. Het inzicht is natuurlijk wel toegenomen. Ook met de EUTR en wellicht binnenkort eens met de EUDR, maar het is niet iets waar je ‘recht op hebt’ als koper van een gecertificeerd product.”
Wat is dan het nut van de Chain of Custody?
“Die geeft informatie tot aan de vorige schakel, maar de rest niet. Wat je vaak ziet gebeuren is dat een inkoper hout koopt bij een verkoper die een FSC- of PEFC- keurmerk voert en dat de inkoper dan automatisch denkt dat het goed zit. Terwijl zo’n houthandel in werkelijkheid ook nog gewoon niet-duurzaam geproduceerd hout in hun assortiment mag hebben. Dan moet je dus alsnog goed je inkooppapieren erop naslaan om te zien of je ook daadwerkelijk duurzaam geproduceerd hout hebt gekregen.
Wij proberen met Probos dan ook de afgelopen tien à vijftien jaar de VVNH en andere federaties in Europa te stimuleren om alleen maar duurzaam in te kopen, want dan ben je van die twijfel af. Het gaat namelijk heel ver om van elke parketlegger en kleine timmerman te eisen dat ze COC-gecertificeerd zijn. Als we ervoor zorgen dat er alleen nog maar duurzaam hout op de markt is, dan kunnen we met COC-certificering tot aan de laatste schakel stoppen.”
Welke ‘houten waarheid’ wordt volgens jou nog te weinig uitgesproken?
“Wat mij betreft gaan we in de sector meer naar elkaar uitspreken dat we alleen goede sier mogen maken met ‘het gebruik van het duurzaamste materiaal’ – en al die LCA’s en EPD’s – als we er ook allemaal voor gaan zorgen dat er alleen nog maar 100% duurzaam geproduceerd hout op de markt verkrijgbaar is en dus ingekocht wordt.”
Wat hoop jij dat Probos de komende 60 jaar gaat bereiken?
“Allereerst hoop ik dat het bos er dan nog beter voor staat. Voor de organisatie hoop ik vooral ook dat het ons is gelukt om de brede waarde van bossen goed voor het voetlicht te brengen en dat boseigenaren daarvoor beloond worden.”
Dat klinkt alsof we daarvoor regelgeving en subsidies van de overheid nodig hebben.
“In Nederland wordt een deel ook al wel vergoed middels een subsidiestelsel, want veel waarden van het bos liggen nu eenmaal op het maatschappelijke vlak. Zo nemen de bossen stikstof op, ze filteren fijnstof, ze houden water vast en bieden recreatieruimte. Waterschappen hebben bijvoorbeeld interesse om afspraken te maken met boseigenaren wanneer bos een rol kan spelen in (nood)opvang van water of voor de water zuiverende rol van bossen.
Je kunt je ook afvragen of het niet eerlijk is als gemeenten een deel van de OZB-inkomsten laat terugvloeien naar de boseigenaar. Huizen bij een bos zijn meer waard vanwege dat bos, waardoor huiseigenaren meer OZB afdragen aan de gemeentekas. Hetzelfde kun je denken van de horeca bij al die bossen. Die profiteren van iedereen die het bos bezoekt, terwijl de boseigenaar opdraait voor de kosten van beheer en onderhoud (veiligheid) van paden.”
De toekomst van het bos
“Ik ben echt wel hoopvol over het vooruitzicht dat het bos de waardering krijgt die het verdient. Ik werk nu ruim 25 jaar in de sector en ik heb niet vaak zoveel aandacht voor het bos gezien als nu het geval is.
Wij werken ook in Suriname, waar 93% van het oppervlak uit bos bestaat. Dit bosrijkste land ter wereld werd eigenlijk nooit voldoende gesteund in de kosten van duurzaam bosbeheer. Met het gevolg dat zo’n land niet echt een incentive heeft om hun bossen overeind te houden. Gelukkig bleek tijdens COP30 dat er nu ook meer consensus is over de zogenaamde ‘Tropical Forest Forever Facility’, het financieringsmechanisme om landen te stimuleren ontbossing en degradatie van bossen te voorkomen.
De toenemende aandacht voor het bos stemt mij dus hoopvol, al komt het voor een groot deel voort uit de negatieve aanleiding dat de bossen onder druk staan.”






