Skip to main content

In deze rubriek duiken we wat dieper in hout(bouw)

door een expert of materiaal ‘in de houtgreep’ te nemen.

Ruim drie jaar geleden alweer hadden we contact met hem ‘vanuit het jaar 2030’: bouwkundig ingenieur Pablo van der Lugt. Niet gespeend van enig optimisme wist hij ons bij te praten over een opmars van houtbouw die ons nog te wachten stond. Nu, weer terug in het jaar 2025, staat hij meer dan ooit met beide benen op de grond. Samen met hem kijken we terug op zijn profetieën en weer vooruit naar de komende vijf jaar: dit is zijn ‘retroperspectief’.

Pablo. In 2022 sprak je met ons over de toekomst in 2030 alsof we er al waren. Als je nu terugkijkt, wat is daar dan van terechtgekomen?

Nou, om te beginnen vond ik het heel leuk om het weer eens terug te lezen. Ik had het toen uiteraard over het best case scenario voor 2030. Intussen is het politieke klimaat wel een beetje veranderd en hebben we wat stilstand gehad, maar die onderstroom op het gebied van houtbouw heeft best wel doorgezet.

Als ik alleen al kijk naar de interesse in het onderwijs, dan is mijn voorspelling redelijk uitgekomen: er is een leerstoel Houtbouw gekomen, de Mass Open Online Course (MOOC) van de TU Delft wordt door duizenden mensen gevolgd en Lidewij [Lenders, red.] heeft op de HVA een minor Houtbouw opgezet. Natuurlijk gaat dit gestaag, want zoiets opzetten kost veel tijd en vaak is geld ook nog een issue. Maar het is mooi om te zien dat de nieuwe generatie van mensen die in de bouw willen werken steeds vaker worden geraakt door biobased bouwen en het als richting omarmen. Dat zie je ook aan de enorme groei van het aantal afstudeeropdrachten en stages op dit vlak.

Ook aan de kant van aannemers zijn er echt mooie ontwikkelingen geweest. De meeste grote partijen hebben inmiddels een houtbouwconcept, een eigen fabriek of een ‘virtual factory’ en bijna allemaal hebben ze een sterke houtbouwambitie met serieuze doelen. Neem Dura Vermeer, die hebben nu ingezet op vijftig procent houtbouw in 2030. Die groei in ambitie zag je afgelopen jaren overigens ook bij de meeste serieuze architecten- en ingenieursbureaus. En zelfs bij beleidsmakers zie je langzaamaan ook meer beweging. Met de onlangs gelanceerde Houtbouwgame proberen we het vuurtje ook bij gemeentes buiten de Metropool Regio Amsterdam (MRA) aan te wakkeren.

En laten we ook zeker de opkomst van het Building Balance programma niet vergeten (waarvoor – mind you – maar liefst 200 miljoen werd gereserveerd), en de inspanningen van netwerkorganisatie en investeringsfonds Built by Nature, die een belangrijk Europees investerings- en kennisnetwerk voor houtbouw heeft opgezet in landen waar de grote bouwproductie is.”

Deze positieve opsomming moet jou goed doen.

“Jazeker. Je merkt aan alles dat de adoptiecurve nu richting de early majority gaat in ons land. Dat is een hele belangrijke stap naar volwassenheid. Waar wij een aantal jaren geleden nog naar andere landen keken hoe zij het doen, zijn wij vandaag de dag steeds meer een voorbeeld op sommige vlakken, zoals industrieel bouwen, zelfs voor ‘houtbouwlanden’ als Zweden en Duitsland. Het is niet voor niets dat sprekers en projecten bij de jaarlijkse relatiedag van CLT en glulam fabrikant DERIX vooral uit Nederland komen. Voor hen zijn wij interessant qua innovaties op het gebied van circulair bouwen, hoog bouwen, drijvend bouwen en industrieel bouwen.

Ondanks dat er ook echt wel een aantal stroevere ontwikkelingen zijn die een grotere opmars stuiten, mogen we in de sector heel trots en tevreden zijn over de ontwikkelingen in ons land. Dat werd onlangs ook nog bevestigd door de pionierende houtbouwarchitect Andrew Waugh: “The Netherlands has become a real timber nirvana”.

Welke ontwikkeling heb je drie jaar geleden wel te rooskleurig ingeschat?

“De perceptie rondom houtbouw. Ik voorspelde destijds – vanuit ijdele hoop – dat de acceptatie en de vraag vanuit de samenleving en private sector zo hard zou gaan, dat de politiek ging volgen. Helaas zijn er nog steeds te veel opdrachtgevers die huiverig zijn, niet geholpen door de nog immer hardnekkige vooroordelen. Ik had nooit gedacht dat ik anno nu nog steeds in sectorbijeenkomsten moet uitleggen dat houtbouw niks met ontbossing in tropisch regenwouden te maken heeft. Dat heeft me ertoe gezet om er een boek over te schrijven, The Timber Truth, wat hopelijk zal helpen de twijfelaars in heel Europa over de streep zal trekken op basis van de laatste feiten.

Op dit moment gaat het heel erg over de ‘onverzekerbaarheid’ van houtbouw vanwege vochtbeheersing en brandveiligheid. Superbelangrijke thema’s, maar niet onoverkomelijk. Je ziet dan ook dat er meteen onderzoekscommissies en ronde tafels ontstaan met sectorbrede disciplines uit de hele keten om die issues te gaan oplossen met nieuwe leidraden en protocollen. Die oplossingsgerichte daadkracht in de hele keten, ook bij verzekeraars, om houtbouw verder te brengen, vind ik mooi om te zien.

Houtbouw is een nieuwe bouwpraktijk, dus er komen nu eenmaal gedurende de transitie af en toe nieuwe aandachtspunten en inzichten naar boven. Dat is normaal voor elke transitie. En het is ook niet bepaald zo dat we technisch niet laten zien dat houtbouw een fantastische toekomstgerichte methode is. We willen toch met z’n allen de bouw verduurzamen? Dan moet je toch echt iets nieuws gaan doen. Dat vereist een andere bouwcultuur, een andere mindset en gedragsverandering. Voor de bouwsector, die van nature heel erg angst- en risicomijdend is, blijkt dat nog wel een lastige opgave.

Ik moet dan meteen denken aan wat Andrew Waugh schrijft in het voorwoord van mijn nieuwe boek: “The process of building with timber collapses boundaries between architect, engineer and contractor; it requires shared knowledge and mutual trust. In this sense, timber is not just a material, it is a catalyst for a new culture of building.” Ofwel: transities gaan vooral ook over tolerantie en vertrouwen. In plaats van hiërarchisch denken moeten we gaan samenwerken in een bouwteam van disciplines die heel eerlijk en transparant is naar elkaar. Zo van “we gaan dit doen, we leggen onze budgetten op tafel, ondanks dat we nog niet alles weten”.

We moeten dus nog harder gaan werken aan een cultuuromslag en onverminderd de mythes blijven ontkrachten bij alle stakeholders. Spread the wood.

"Het niet instellen van een drempelwaarde voor de MPG wint wat mij betreft de prijs van grootste onbenutte kans."

“Dat de aanpassing van de MPG [MilieuPrestatie Gebouwen, red.] er niet is gekomen, is natuurlijk eeuwig zonde voor de versnelling. Met heel veel moeite hebben we allemaal houten en biobased producten in de Nationale Milieudatabase (NMB) gekregen. Als je dan ziet dat die producten beter scoren dan de traditionele materialen, dan moet je ook de drempelwaarde via regelgeving gaan aanscherpen. Op die manier moet men wel meer met hout gaan bouwen, want anders haal je je MPG-score gewoon niet. Onder Hugo de Jong zou dit allemaal gaan gebeuren, ware het niet dat het na zijn vertrek in de koelkast is gezet tot 2030.”

"Hoe ironisch zou het zijn als de conventionele industrie CO₂-rechten gaat opkopen uit houten gebouwen."

Wat is volgens jou de grootste winst die houtbouw de afgelopen drie jaar heeft geboekt?

Houtbouw is here to stay. Hout wordt serieus genomen als materiaalkeuze voor alle soorten bouw, van industrieel tot hoogbouw en langzamerhand ook in de infra, zoals de nieuwe 130 meter lange Passarelle brug over het spoor in Zwolle. Het is echt op het speelbord gekomen als goed alternatief. Ik had drie jaar geleden echt niet verwacht dat bijna de gehele top 5 grootste bouwers een hele stevige biobased bouwen ambitie en eigen woningconcepten en -fabrieken zou hebben en er zo stevig op zou inzetten.”

Twijfelde je daar drie jaar geleden dan aan?

“Laat ik het zo zeggen: ik was er toen nog niet honderd procent zeker van of het voldoende opgepakt ging worden of dat het zou afvlakken. Nu ben ik ervan overtuigd dat het aandeel houtbouw alleen maar groter gaat worden. De cijfers laten dat ook zien.

Als je alleen al naar de MRA kijkt, de eerste projecten waren daar allemaal one-offs plus hier en daar een klein rijtje van 10 of 20 woningen. Nu zie je daar hele gebiedsontwikkelingen met houtbouw ontstaan, zoals de Nelson Mandela buurt met 700 woningen en een paar duizend biobased woningen in de planning in Lelystad. In de rest van Nederland zie je inmiddels ook opschaling. Zo worden er in Terneuzen binnenkort 100 Flow prefab houten woningen van BAM neergezet. De onderstroom is niet meer te stuiten, zeker met de verlenging van het Houtbouwpact 2.0 in Amsterdam en de 30-30-30 ambitie van Building Balance die door praktisch alle belangrijkste woningcorporaties en ontwikkelende bouwers is ondertekend”

Verwacht jij dat de nieuwe coalitie een verdere versnelling kan opleveren?

“Als bijna driehonderd partijen – inclusief de grote bouwers en ontwikkelaars – het Gideon Manifest ondertekenen, waarin zij pleiten voor een eerlijke positie van biobased bouwmaterialen in de nationale rekenmethoden – en sturing puur op CO2 tijdens productie – de zogenaamde GPWa – en het wordt dan nóg niet opgepakt, dan snap je dat ik wel een beetje sceptisch ben geworden over de daadkracht van de politiek qua duurzaam bouwen.

Maar we gaan het zien. Hoewel bijna niemand in Den Haag tegen industrieel bouwen en minder regels is, moet het denk ik wel een centrum-links kabinet worden als je ook serieus op CO₂ wilt sturen. Dat wil niet zeggen dat houtbouw helemaal een verloren zaak is met bijvoorbeeld centrum-rechts. Mona Keijzer was weliswaar niet per se pro biobased bouwen, ze zet wel in op snel en industrieel bouwen. Dan kom je stiekem toch meestal wel uit bij houtbouw, al is het maar vanwege de fantastische verwerkingsmogelijkheden voor prefab bouw. Op die manier zal de transitie in de slipstream van die rechtse ambitie ook nog vooruitgaan.

Toch heb ik ergens nog stille hoop dat we op een gegeven moment een drempelwaarde krijgen vanuit een overheid met wél een groene ambitie, doordat we met Whole Life Carbon (en liever nog GWPa, want eerlijker en niet afhankelijk van vage hergebruik beloften in de toekomst) op CO₂ gaan sturen. Ik vind het heel belangrijk dat die waarde van opgeslagen CO₂ in houten gebouwen wordt gecertificeerd en kunt verhandelen middels Construction Stored Carbon credits. Dat zal in die transitie naar een – hopelijk – wettelijk geregelde drempelwaarde gaan helpen om de waarde van CO2 opslag inzichtelijk te krijgen en mogelijk ook te gelde te maken.

Een nationale CO₂-tax zou nog mooier en eigenlijk ook eerlijker zijn, maar ik denk dat dat heel moeilijk gaat worden gezien alle lobbyclubs die zich hier vanuit hun eigenbelang tegen zullen verzetten. Wellicht dat men vanuit Europa alsnog de ETS rechten [Emission Trade System, red.] gaat handhaven, waarmee per 2030 de maximale hoeveelheid CO₂ die je mag uitstoten wordt gehalveerd. Dat zou betekenen dat staal en beton een heel stuk duurder kan gaan worden. En hoe ironisch zou het dan zijn als die industrie CO₂-rechten gaat afkopen op basis van de vastgelegde CO2 in houten gebouwen.

Al met al is het ontzettend jammer dat de innovaties, de technieken en de fabrieken er allemaal zijn, maar niet optimaal benut worden door achterblijvende regelgeving. Met het gevolg dat we nu al sommige industriële woonfabrieken zien omvallen door te lange vergunningstrajecten, bezwaarprocedures, de stikstofimpasse en te weinig aangewezen grondposities. In dat opzicht kan het STOER programma nog wel zijn waarde gaan bewijzen.”

 

  • Onder: SAWA (Winnaar van de Nationale houtbouwprijs 2025) is CSC-gecertificeerd; de ruim 2500 ton opgeslagen CO2 in het casco kan daarmee in potentie worden verhandeld op de voluntary carbon credit markt. © Foto: Ossip van Duivenbode

"Ik verwacht dat de value case nóg belangrijker wordt dan de business case."

Als men het klimaatargument van houtbouw blijkbaar onvoldoende interessant vindt, moeten we dan niet nog harder proberen houtbouw economisch de meest interessante optie te maken?

“Zeker, en daar is de sector natuurlijk ook continue mee bezig. Door meer opschaling, door meer industrieel te bouwen, door slimmere houtbouwsystemen met meer efficient gebruik van hout en door het sneller kunnen exploiteren van gebouwen dankzij de grote bouwsnelheid gaan de kosten steeds meer dalen.

Toch denk ik dat het nog belangrijker is om te kijken naar de value case in plaats van naar de business case. Interessant voorbeeld hierbij is het project Matchbox in Eindhoven. De woningcorporatie Trudo heeft door een onafhankelijke taxateur laten doorrekenen wat dit gebouw waard is en wat een gelijkwaardig traditioneel gebouw waard zou zijn. Daar kwam uit dat aan een gebouw als Matchbox 7% meer waarde wordt toegekend. Dat is natuurlijk een ontzettend belangrijk gegeven voor vastgoedeigenaren, zoals woningcorporaties, maar ook voor vastgoedbeleggers en -investeerders.

Als je het mij vraagt komt de kans op grootschalige adoptie van houtbouw dan ook eerder uit de private hoek, dan van de wet- en regelgeving. Dat is in ons land nu eenmaal de zwakste schakel door ons eindeloze gepolder. Neemt niet weg dat we lokale overheden en toetsende instanties moeten blijven meenemen om de vraag aan te wakkeren en vergunningstrajecten te versnellen.”

In 2022 wist je ons vanuit 2030 te melden dat “de groeicurve van houtbouw een vlucht heeft genomen naar dertig procent”. Acht je dat nog steeds haalbaar?

“Het hangt er vanaf welk definitie van houtbouw je hanteert en vanaf welk moment we beginnen met meten. Als we vanaf de planningsfase meten, de MRA-definitie aanhouden (zie kader) en alles zit mee, dan zouden het wellicht net kunnen halen. Er zit echt heel veel in de pijpleiding in Nederland, zeker in de MRA.

De realiteit gebiedt te zeggen dat vergunningstrajecten ook vaak nog zoveel vertraging opleveren, dat we eerder in de richting moeten gaan denken van tien à twintig procent. De tender voor een houten SAWA werd vijf jaar geleden ingediend en nu is het pas opgeleverd. Aan de bouwsnelheid van het houten casco heeft het niet gelegen: de 13 verdiepingen stonden in 25 weken!”

Ik krijg het idee dat Pablo van der Lugt een stuk realistischer is geworden ten opzichte van de ‘houtbouw high’ waarin wij allemaal verkeerden in 2022.

“Ja, maar dat geldt niet alleen voor mij. We zijn in de gehele keten opgeschoven van hosanna naar zelf-kritisch. In Pakhuis de Zwijger organiseert De Houtbouw Opleider bijvoorbeeld sinds vorig jaar de avond ‘Houtbouw is goud, maar kan ook fout’, dat vind ik een mooie ontwikkeling. Eerlijker en transparanter is een belangrijke randvoorwaarde naar de toekomst toe. Dit was voor mij ook een reden om ‘The Timber Truth’ te publiceren. Elk hoofdstuk heeft zelfs een paragraaf die positieve houtbouwmythes ontkracht (‘Timber Solves all Our Problems’) op basis van de laatste inzichten.

Ik zie dat heel veel dingen goed kunnen gaan, maar zie ook steeds vaker dat houtbouw nog tegen allerlei drempels aanloopt, omdat het een andere manier van bouwen is. We kunnen wel voor die dertig procent willen gaan, maar ik zie liever dat we gestaag naar die twintig procent toe gaan met onberispelijke gebouwen die echt future proof zijn. Nu het steeds meer een volwassen bouwmethode wordt, moeten we de kwaliteit nóg beter bewaken. Er kunnen heel veel gebreken ontstaan als je bijvoorbeeld niet weet welk hout je voor welke toepassing op welke manier moet gebruiken. Kennisdeling is daarom key. Niet alleen voor de veiligheid en het wooncomfort, maar ook voor de reputatie van houtbouw. Want die komt te voet, gaat te paard. Het eerste grote houten gebouw dat affikt zal ons jaren terugschoppen in de tijd qua acceptatie van grootschalige houtbouw.

Met betrekking tot de houtvoorraden in de Europese bossen ben ik ook wel iets kritischer geworden. Ja, Europa bestaat voor 40% uit bossen en in de duurzaam beheerde bossen groeit er jaarlijks meer bij dan we opmaken, maar ik merk ook dat de Europese bossen steeds meer onder druk staan door het veranderende klimaat. Meer bosbranden, meer stormschade, meer ‘letterzetter’ kevertjes die bij droogte hun kans zien. Je moet daarop voorsorteren door meer klimaatbestendige bossen te maken. Meer variëteit in soorten, heel efficiënt omgaan met je grondstof, meer hergebruiken en efficiëntere bouwmethoden. Een van mijn nieuwe credo’s is niet voor niets ‘HSB waar het kan, CLT waar het moet’. Als je geen super hoogwaardig product nodig hebt kun je ook reststromen en vezelgewassen gebruiken om bijvoorbeeld plaatmateriaal van te maken, bijvoorbeeld voor de kernlagen van CLT.”

Houtbouw volgens de MRA definitie *

Ieder afzonderlijk woongebouw voldoet aan de gewenste criteria en telt daardoor mee in het cumulatieve percentage van 20% houtbouw in de hele MRA, indien het volume van de draagconstructie (excl. fundering):

  • voor grondgebonden woningen minimaal 80% van het volume biobased is,
  • voor gestapelde woningbouw onder 8 lagen minimaal 65% biobased is,
  • voor gestapelde woningbouw vanaf 8 lagen minimaal 50% biobased is.

Het hout voor de draagconstructie komt bij voorkeur uit Europa, het gebouw is in Europa geassembleerd (maar bij voorkeur in Nederland) en is voor minimaal een “70% FSC mix” en/of “70% PEFC” gecertificeerd.

* Dit is de definitie uit het bestaande ‘Convenant Houtbouw MRA’. In de loop van 2026 wordt de definitie verder aangescherpt.

"Zoals Gert-Jan Rozemeijer het treffend omschrijft: 'Om een houten gebouw te verduurzamen, kan je het beste bij beton beginnen'."

Heeft dat realisme er bij jou ook voor gezorgd dat je voorbij biobased kijkt naar andere innovaties die de bouw kunnen verduurzamen?

“Kijk, de transitie naar biobased blijft een grote winst voor het klimaat, maar verduurzamen moet over alle schijven en het liefste door uit te zoomen en naar de verschillende opties te kijken vanuit de huidige situatie; is nieuwbouw echt nodig of kunnen we optoppen, inbreiden, splitsen, renoveren? En voor nieuwbouw dan zoveel mogelijk echt circulair (demontabel) en biobased. Maar ik ben ook voor het juiste materiaal op de juiste plaats. Beton hebben we nu eenmaal nog steeds vaak nodig voor bijvoorbeeld funderingen en grote overspanningen in de plint. Dus innovaties in de betonsector moet je als houtbouw ‘cheeren’ in plaats van ‘bashen’. Immers, zoals Gert-Jan Rozemeijer van Adviesbureau Lüning het heel treffend omschrijft in de Paris Proof berekeningen van hun houten gebouwen: “om een houten gebouw te verduurzamen, kan je het beste bij beton beginnen”. De CO₂-voetafdruk van een ‘bruin’ gebouw, wordt bijna geheel veroorzaakt door het ‘grijs’. Dus als je die weet te verlagen heeft het gehele gebouw daar profijt van.

In die verduurzaming van beton zijn ook al hele mooie ontwikkelingen gaande. Op de Klimaattop GO heb ik een gezamenlijke sessie gegeven met betonpionier Niki Loonen van TBI. Daarvoor ben ik eerst bij hem in het betonlab geweest en dan zie je dat er ook al veel oplossingen zijn om beton bijna CO₂-neutraal te krijgen. Denk alleen al aan gecalcineerde klei of vulkanische as als bestanddeel, in plaats van de klinker component die voor zoveel CO2 uitstoot zorgt. Mensen zoals Niki (niet voor niets de nummer 2 van ABN AMRO’s Duurzame 50) hebben ervoor gezorgd dat Nederland op het gebied van duurzaam beton een koploper is in Europa. Des te wranger en onbegrijpelijker is het dat je dan merkt dat de enorme anti-lobby van de gevestigde bestaande cementindustrie ook dat probeert tegen te houden, vaak ongemerkt. De zogenaamde ‘meestribbel’ strategie van transitie hoogleraar Prof. Dr. Ir. Jan Rotmans.”

Bij dat gevecht zouden beleidsmakers als uitvragers een belangrijke rol kunnen spelen. Zie jij bij hen een verschuiving in de houding ten opzichte van duurzamer bouwen?

Ja, bij steeds meer beleidsmakers onstaat de interesse voor houtbouw. Zwolle, Eindhoven, Metropoolregio Amsterdam zijn de beste voorbeelden. Bij veel andere gemeentes zie je – maar dat is bij marktpartijen en woningcorporaties niet anders – een duidelijk verschil in top down en bottom Up. Er zijn bovenin best veel wethouders die aangaan op de boodschap van biobased, hernieuwbaar, CO₂-mitigatie, verdienmodel voor de boeren, et cetera, maar dat stokt dan nog wel eens als het bij een middenmanagement terechtkomt dat gewend is de daily business uit te voeren, binnen budget en tijd te leveren en minder op verandering zit te wachten. Het heeft tijd nodig om ook die groep mee te krijgen en beter nog, in het hart te raken met ‘the Why’ van houtbouw.”

Proof of concept zal hierbij wellicht ook helpen? Na een eerste project in hout kan men beter de meerwaarde ervan inzien, lijkt me.

“Absoluut. En los van de ‘harde’ voordelen als snelheid van bouwen, energieprestaties en CO₂-voetafdruk, moeten we ook het biofilische aspect niet onderschatten. In een goed gebouwd biobased object gebeurt er iets met mensen wat je niet technisch kunt verklaren. Een houten gebouw klinkt goed, ruikt lekker, voelt anders en heeft een prettig binnenklimaat. Het raakt ons in onze essentie, we zijn dichter bij de natuur, haast een spirituele ervaring. Het is gezonder wonen, werken en leren. Maar je zal dat pas geloven, als je het ook echt aan den lijve kunt ervaren. Iedereen is naast zijn rol in de bouw, waar dan ook in de keten, ook een mens, onderdeel van de natuur. Van gemeenteambtenaar tot CEO van een pensioenfonds. Dat verklaart ook het succes van de Tegenlicht uitzending ‘Houtbouwers’, die veel mensen in hun hart raakte. Andrew Waugh, die toen nog als gekkie werd gezien, zij het onlangs treffend in Pakhuis de Zwijger: “I am not the Wood Weirdo anymore”.

Persoonlijk denk ik dat dit gezondheidsaspect nog wel eens een belangrijke factor kan worden voor de value case van beleggers die in houtbouw moeten investeren. Als het verzuim daalt en de productiviteit omhooggaat, dan is dat toch een waanzinnige meerwaarde voor de nieuwe generatie? Architect Daan Bruggink doet hier met zijn team van ORGA architect nu een diepgaand onderzoek naar in opdracht van Built by Nature; ik vermoed dat de resultaten de value case argumentatie nog flink zullen versterken. En in de war on talent gaat ook meespelen dat werknemers eerder kiezen voor een baan in een fijn houten gebouw en een werkgever die het klimaatprobleem ook in zijn huisvesting serieus neemt. Practice what you preach.”

 

  • Onder: Google’s nieuwe kantoor op Kings Cross in London, naar ontwerp van Heatherwick Studio en BIG, is een Landscraper: een lang gebouw en vooral heel gezond. Het is grotendeels van hout gemaakt met veel biophilic design principes toegepast met hout in het zicht. Dit doet Google waarschijnlijk ook om the War on Talent te winnen en de meeste talentvolle, vaak klimaatbewuste, high potentials aan zich te binden. © Foto: Accoya.com

Kies één woord dat houtbouw in 2025 typeert.

“Groeipijn.”

Leg uit.

“We zijn met houtbouw kind-af en zitten inmiddels in de puberteit, waarbij we flink aan het doorgroeien zijn. Op dit moment zitten er al zo’n tienduizenden woningen In de planningsfase, schat ik. Net als bij een echte puber gaat dat niet zonder groeipijn en het maken van fouten. We zijn heel veel aan het leren, aan het ontdekken, aan het experimenteren en langzamerhand richting volwassenheid aan het groeien. Hopelijk bereiken we dat punt in 2030.

Als de positieve dingen van het STOER programma – dus minder regelgeving en sneller vergunnen – worden doorgevoerd en we meer industrieel gaan bouwen, dan is het heel goed mogelijk dat tachtig procent van de industriële productie straks houtbouw is. Dan komen we steeds dichter bij het transitie tipping point van 25 procent waarbij een nieuwe norm ontstaat en kan je wel spreken van een mainstream methode, uitgaande van de houtbouwdefinitie van de MRA.”

2030 is ook het peiljaar van het Parijs klimaatakkoord, waarmee we 49 procent minder CO₂ zouden moeten uitstoten ten opzichte van 1990. Waar komen we op uit, denk je?

“Volgens mij zitten we nu al op twintig procent reductie in Europa ten opzichte van 1990, en ondanks dat een paar grote beleggers en bouwers al zelf sturen op die 49 procent in 2030, denk ik toch dat het heel moeilijk gaat worden om 49 procent te halen op sector niveau. Tenzij bijvoorbeeld de betonsector ook echt serieus zaak gaat maken van CO2-reductie. En dat is dus niet klinker vervangen met lineaire afvalmaterialen, zoals hoogovenslak en vliegas uit verdwijnende steenkolen centrales, maar de echte innovaties naar ‘donkergroen’ beton zoals ik hierboven al noemde. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de andere grote industriële CO2-intensieve materialen zoals metalen, plastics en andere minerale materialen.

Wat wel lekker zou zijn, is als die CO₂-opslag in gebouwde omgeving op een bepaalde manier wel meegenomen gaat worden. Dat kan met circulaire gebouwen waarbij het hout daadwerkelijk wordt hergebruikt na demontage. Dan blijft de CO2 vastliggen en wordt de gebouwde omgeving echt een carbon sink in plaats van een carbon source. Dat wordt nu nog niet meegewogen in de CO₂-berekeningen, terwijl absoluut gezien er CO₂ wordt vastgelegd en als je echt circulair bouwt ook vastgelegd blijft. Hiermee kunnen we voor de bouw wel degelijk richting ‘Paris Proof’ komen. Als dat gepaard gaat met grootschalige aanplant van duurzaam beheerde biobased gewassen en bossen, dan is die combinatie – of zoals vooraanstaande Duits klimaatwetenschapper Prof Hans Joachim Schellnhuber het noemt: de ‘Forestry Construction Pump’ – wel degelijk belangrijk om het klimaatprobleem te helpen oplossen.

Neem het Circle Paviljoen dat binnenkort weer opnieuw opgebouwd gaat worden. Dat is een super goed voorbeeld van hoe je grote houten elementen zonder waardeverlies kunt hergebruiken en daardoor CO₂ minimaal 100 jaar opslaat (de grenswaarde gesteld door de IPCC voor permanente CO2-opslag). Als deze carbon sink gaat meetellen en het lukt ook om de CO₂ voetafdruk van beton te verlagen, dan zullen de koplopers in de bouw hun ambitie voor vijftig procent reductie in 2030 wel kunnen halen. Alleen, de huidige maatschappij heeft helaas te weinig focus op het klimaat om dat Parijse doel te halen. Wat mij betreft onbegrijpelijk, het gaat om ons voortbestaan als mens.”

Drie jaar geleden zei je ook dat er “in 2030 drie nieuwe CLT fabrieken in de Benelux zijn bijgekomen”. Zijn we nu al op dat punt?

“Niet op BENELUX niveau. Maar je moet Europa zien als één grote productielocatie van mass timber, op nog geen 200 kilometer rijden van Utrecht zitten twee CLT fabrieken van DERIX en op Europees niveau wordt er enorm opgeschaald en geïnnoveerd in ‘mass timber’ productie. Zo kijken ze inmiddels ook in Amerika naar Europa, als hét continent waar het allemaal gebeurt. Daarbinnen is Nederland al helemaal geen achterstand land meer, maar rijden we vooraan in het peloton. Wij hebben weliswaar geen bossen meer, en dus ook geen CLT fabrieken, maar Nederland scoort echt hoog op het gebied van ontwerp, industrialisatie, modulaire en conceptuele bouw. Dit kan straks een prachtig export product worden van Nederland, want de echte bouwopgave en uitdaging die zit niet in Europa, maar in opkomende markten als China, India en Afrika, zie ook dit recente metaonderzoek.”

Wat wordt volgens jou de belangrijkste innovatie die we nodig hebben om in de komende jaren de versnelling te maken?

“Installaties. Slimmere systemen die specifiek op maat zijn ontworpen voor een ‘lichte bouwmethode’ als houtbouw. Ik ben geen technicus op dit gebied, maar van wat ik begrijp uit de markt moeten we nog wel een stap maken om met houtbouw te voldoen aan de eisen die vooral zijn geënt op de traditionele, zwaardere bouwmethodes. Bij houtbouw moeten we juist op zoek naar kleinere installaties, slimme overstekken, slimme zonwering en klimaatconcepten om de sneller opwarmende (maar ook sneller afkoelende) houten gebouwen voldoende koel te houden in de opwarmende zomers.

Een andere belangrijke ontwikkeling die we nodig hebben is het gebruik van secundair hout. Een mooi voorbeeld vind ik het circulaire CLT (C-CLT), dat wordt gemaakt van pallethout of ander secundair hout. Er zijn nu al een aantal partijen bezig met die ontwikkeling, zoals TNO en Urban Miner van Dura Vermeer. En er wordt dan ook doorgepakt met durf. Zo zijn de C-CLT panelen al daadwerkelijk toegepast in het Urban Woods project in Delft. Dat wordt ook wel een belangrijke trend de komende jaren. Ik hoop oprecht dat in 2030 tien procent van het mass timber van gerecycled hout komt.

En in het nieuwe Biobased Lab van TNO wordt ook getest hoe we andere biobased materialen kunnen gebruiken in hoogwaardige producten als CLT. Denk aan meer laagwaardige biobased materialen als OSB, en aan snelgroeiers als Paulownia en bamboe. Ook hierbij mogen we best trots zijn op wat er in Nederland gebeurt qua innovatie ten opzichte van andere Europese landen. ”

Gelukkig, ik was al bang dat je niet over bamboe zou beginnen.

“Haha, ja bamboe is één van mijn jeugdliefdes. In ben gepromoveerd op de milieu-impact (LCA) van engineered bamboo ten opzichte van conventionele materialen. Een heel mooi en sterk en snelgroeiend afwerkmateriaal. Bamboe staat zelfs genoemd in het Guinness Book of World Records als het snelstgroeiende materiaal ter wereld, met een groeisnelheid van meer dan 1 meter per dag!

Maar helaas groeien deze grote bamboes die je nodig hebt voor engineered bamboo nog niet in Europa. De kleinere wel, maar die concurreren dan weer met de jaarlijkse oogst van hennep en vlas. Voor gevelafwerking is het geperste bamboe wel perfect, zoals toegepast in het meerlaags houten woongebouw SWITI van BPD in Amsterdam Zuidoost. Het is esthetisch mooi en omdat het zo verdicht is haalt het materiaal brandklasse B, waardoor je het niet hoeft te impregneren met brandvertragers. Die bamboe komt dan wel uit China, is verdicht met tien procent lijm en thermisch gemodificeerd. Daar kan je dus nog wel wat van vinden. Maar ook in die hoek wordt continue geïnnoveerd en zijn de eerste testen met biobased lijmen gedaan. Alleen voldoen die nog niet aan de gewenste kwaliteitsnormen. Daarom is het heel hoopvol dat ook hier weer de Nederlandse koplopers hun daadkracht en durf tonen een een terugnamesysteem hebben opgezet voor dit thermisch gemodificeerde bamboe.

Waar ik me wel aan stoor is dat verschillende aanbieders binnen de biobased bouwmaterialen elkaar zwart proberen te maken en twijfels zaaien, ook over bamboe, dat het een composiet zou zijn. Dat is kul. Je hebt het pas over een composiet bij minimaal twintig tot dertig procent hars. Elk materiaal heeft zijn beste toepassing. Door de hardheid, stabiliteit en brandbestendigheid is het bamboe bijvoorbeeld een heel interessant materiaal voor biobased gevels op een houten gebouw. Als een producent of leverancier echt bezig is met innoveren, en het is meer dan 90% goed, dan moet je dit soort ontwikkelingen cheeren, net als bij duurzaam beton. Ook deze opbouwende, transparante mindset hoort bij een noodzakelijke ‘Nieuwe Bouwcultuur’.”

"Hét woord dat houtbouw in 2030 zal typeren? Gidsland."

Holland is van oudsher houtland. Dat sloeg ooit meer op ons bosrijke land, waar nu nog maar 10% van over is, maar tegenwoordig kunnen we dat weer claimen op het gebied van de toepassing van hout. Door de ogen van landen om ons heen, ook de traditionele houtlanden, lopen we hier op veel aspecten van houtbouw echt voorop. Vandaar: gidsland.

Een nieuwe Nederlandse vlag waarbij we het rood vervangen door groen, zou ik dan ook wel leuk vinden….😉.”

– Dr. Ir. Pablo van der Lugt

      • ‘The Timber Truth’ het nieuwe boek van Pablo, die zich naar eigen zeggen nog steeds genoodzaakt voelt om de houtbouw mythes (incl. de positieve) te ontkrachten, .

Meer informatie? Klik op onderstaande bronvermelding(en) of stuur ons een mailtje.

Stuur een mail
Bron: MRA Houtbouw Pact 2026-2030
Lees hier het in 2022 gepubliceerde artikel 'Pablo van der Lugt vanuit de Toekomst'

© Foto’s: Ossip van Duivenbode (SAWA) ; Accoya.com (Google Kings Cross)